Onderwijs

maandag 10 augustus 2015
 - 

Hulpverleningsaanbod onduidelijk voor helft ouders

De afgelopen weken hield Vlaams Parlementslid en voorzitter van de Commissie Onderwijs Kathleen Helsen een online bevraging rond kind- en jongerenbegeleiding. Op de website www.ontwikkelmee.be konden leerlingen, leerkrachten en ouders een enquête invullen om hun mening te geven. In totaal namen 700 leerlingen, leerkrachten en ouders deel aan deze enquêtes. Dit leverde een schat aan informatie. Die wil Helsen de komende weken gebruiken om een voorstel voor een nieuw hulpverleningsaanbod voor kinderen en jongeren te ontwikkelen.

 

Uit de jongerenenquête blijkt dat de jonge deelnemers bij problemen het vaakst te rade gaan bij hun ouders of vrienden. Bij schoolse problemen vragen ze raad aan leerkrachten (meer dan 50%), maar ze vinden ook de weg naar het CLB (27%). Een bezoek aan de huisdokter gebeurt enkel bij lichamelijke problemen zoals bijvoorbeeld bij een zwangerschap (58,33%) of bij seksueel misbruik (34,62%). De kindertelefoon wordt amper gebeld. Ook op het JAC doen jongeren zeer weinig beroep (5%). Jongeren vinden het vervelend als zij doorverwezen worden naar een andere instantie, behalve voor leerproblemen. De meeste jongeren willen zich best wel een eindje verplaatsen om een oplossing te krijgen voor problemen waarmee ze geconfronteerd worden (40%).   

 

Meer dan de helft van de ouders (51,52%) die deelnamen aan de enquête geven aan niet duidelijk te weten voor welk probleem ze bij welke hulpverleningsinstantie terecht kunnen. Het CLB kennen ze het best als hulpverleningsinstantie waar ze terecht kunnen als ze problemen hebben met de opvoeding of ontwikkeling van hun kind (29,75%), gevolgd door Kind en Gezin (8,54%), de school (5,85%) en het CGG (5,70%). Voor schoolse problemen is het CLB, samen met de school zelf, het eerste aanspreekpunt. Bij lichamelijke problemen stapt meer dan 86% van de ouders naar de huisdokter. Ouders geven aan dat ze over problemen met de opvoeding van hun kinderen eerst met familie (55,98%) en vrienden (55,98%) praten. Ook het internet en de bibliotheek zijn een hulpbron voor ouders die informatie zoeken om opvoedingsmoeilijkheden het hoofd te bieden.  De opvoedingswinkel is dan weer minder gekend (5,06%). Ouders geven zelf aan de stap te zetten naar een kinderpsycholoog of het CGG voor psychische en emotionele problemen bij het kind. Ze hebben geen problemen met een doorverwijzing naar meer gespecialiseerde diensten (80%). Zij willen zich gerust een eindje verplaatsen voor gepaste hulpverlening (27% meer dan 40 km).

 

Het internet is voor gemiddeld 30% van zowel jongeren als ouders een bron van informatie.

 

Leerkrachten en scholen op hun beurt proberen zoveel mogelijk problemen schoolintern op te lossen. Ze doen een beroep op andere hulpverleningsinstanties wanneer ze merken dat een kind meer begeleiding nodig heeft dan de school kan bieden. De pedagogische begeleidingsdiensten worden vooral ingeschakeld door de directies van scholen voor didactische en methodologische ondersteuning van het schoolteam. Het CLB wordt zowel door leerkrachten als directies bevraagd. Hierbij worden het vaakst gedrags- en leerproblemen, een problematische thuissituatie (zowel financieel, opvoedkundig, als emotioneel), drugs, criminaliteit en geweld en medische problemen opgegeven. Uit de bevraging blijkt dat de sociale kaart voor leerkrachten vaak een kluwen is. Het is voor hen een hele opdracht uit te zoeken waar ze met een bepaalde hulpvraag terecht kunnen. Wanneer ze dat hebben uitgezocht, stoten ze vaak op lange wachtlijsten, wat frustrerend kan werken.

 

Kathleen Helsen is tevreden met de responsgraad van de enquêtes: “We hebben hiermee zeer waardevolle informatie kunnen sprokkelen die duidelijk richting geeft om het hulp- en ondersteuningsaanbod voor kinderen, jongeren, ouders, leerkrachten, directies te verbeteren. Ik leg dit samen met de resultaten van de werkvergaderingen die ik afgelopen maanden organiseerde met directies, CLB-medewerkers en hulpverleningsinstanties. Ik verwerk alle informatie in een discussienota die ik in september aan alle betrokkenen zal voorstellen.”

Thema's: